Het museum van Doornik is het oudste museum voor natuurgeschiedenis van België. Het werd tijdens de Nederlandse bezetting opgericht door verlichte liefhebbers van wetenschap met een passie voor zoölogie. Het museum opende op zondag 13 september 1829 de deuren in de salons van het stadhuis en breidde zijn collectie steeds verder uit. Sinds 1839 is het gevestigd in de bijgebouwen van de Saint-Martin-abdij. Ondanks de enorme collectie kwijnt het museum na de oprichting tientallen jaren langzaamaan weg. De opeenstapeling van genaturaliseerde voorwerpen in de vitrines voldoen niet meer aan de smaak van die tijd en het publiek keert zich ervan af. De twee wereldoorlogen helpen allesbehalve: in 1914 worden dieren gebruikt voor legeroefeningen en in 1940 wordt het gebouw gebombardeerd en wordt één vleugel volledig geplunderd. Toch slaagt het museum erin te overleven en komt er in 1959 met Paul Simon een nieuwe vrijwillige curator. Hij zorgt voor een complete reorganisatie van de collecties, sorteert en klasseert ze en doet een beroep op moderne tentoonstellingstechnieken. Tegelijkertijd creëert hij een dioramazaal waar dieren in hun natuurlijke omgeving werden tentoongesteld, een voor die tijd zeer innovatief gegeven. Vanaf 1978 blaast zijn opvolger, Philippe Brunin, het museum ook nieuw leven in met tijdelijke tentoonstellingen voor didactische doeleinden of dierenkunst. In 2001 komt er op zijn initiatief en met behulp van lokale en Europese subsidies een vivarium. Dit richt zich op bedreigde diersoorten en sluit beter aan bij het moderne publiek, dat grote interesse heeft in biodiversiteit en tegelijk fan is van dierentuinen. Na allerlei avonturen te hebben meegemaakt, heeft het museum vandaag een internationale wetenschappelijke dimensie.